In elke online discussie over veganisme verschijnt hij onvermijdelijk: het omnivoor-argument. “De mens eet nu eenmaal vlees — we zijn omnivoren, zo zijn we nu eenmaal gemaakt.” Maar klopt dat eigenlijk wel? Als je naar de biologie kijkt, wordt die zekerheid opeens een stuk wankeler.
Het woord “omnivoor” heeft twee betekenissen die mensen voortdurend door elkaar halen. De eerste is beschrijvend: iemand die zowel planten als dieren eet. In die zin zijn de meeste mensen inderdaad omnivoren — net zoals iemand die alleen fastfood eet strikt genomen ook een “alleseter” is. Maar de tweede betekenis is fysiologisch: een dier dat van nature, biologisch gezien, is uitgerust om dierlijke producten te verwerken. En dáár wordt het interessant.
Arts en voedingswetenschapper Michael Greger onderzocht uitgebreid wat onze biologie ons eigenlijk vertelt. De uitkomst is opvallend: op meerdere punten lijkt de menselijke fysiologie veel meer op die van een herbivoor dan op die van een echte omnivoor.
1. We kunnen geen vitamine C aanmaken
Het argument De meeste zoogdieren produceren zelf vitamine C. Mensen niet — en ook mensapen, cavia’s en bepaalde fruitvleermuizen niet. Wat hebben die gemeen? Ze zijn allemaal strikt herbivoor en aten evolutionair gezien altijd al zoveel planten dat het lichaam de aanmaak van vitamine C kon laten vallen als onnodige luxe.
Dit is geen toevalligheid. Een echte omnivoor of carnivoor heeft die vitaminebron nodig als back-up wanneer er geen planten beschikbaar zijn. Dat ons lichaam die back-up nooit heeft ontwikkeld, suggereert dat planten altijd de kern van ons dieet waren.
2. Ons cholesterolmetabolisme lijkt op dat van herbivoren
Het argument Geef een hond het equivalent van honderden eieren aan cholesterol — zijn vaten blijven schoon. Geef een konijn (of een mens) datzelfde, en de slagaders beginnen te verstopt raken. Atherosclerose, de ophoping van plaque in de vaatwanden, is een typisch herbivoren-reactie op dierlijk vet. Echte omnivoren beschikken over efficiënte mechanismen om dat overschot te verwerken en af te voeren. Wij niet.
Dit verklaart waarom hart- en vaatziekten zo massaal voorkomen bij mensen die veel dierlijke producten eten — en zo zeldzaam zijn bij populaties die traditioneel plantaardig eten.
3. Ons spijsverteringssysteem is gebouwd op vezels
Het argument Ons lichaam verwijdert overtollig cholesterol via de gal, die in de darmen wordt gestort. Maar dat systeem werkt alleen als er voldoende voedingsvezels aanwezig zijn om dat cholesterol te binden en af te voeren. Onze voorouders aten naar schatting meer dan 100 gram vezels per dag. Zonder die vezels wordt het cholesterol gewoon weer heropgenomen in de bloedbaan.
De gemiddelde Nederlander eet zo’n 20 gram vezels per dag — een vijfde van wat ons systeem verwacht. Ons lichaam is simpelweg niet ontworpen voor vezelarme voeding.
4. Onze verzadigingssignalen zijn ingesteld op volume, niet op calorieën
Het argument De rek-receptoren in onze maag reageren op volume. Ons hongergevoel is geëvolueerd op een dieet van ongeveer twee kilo planten per dag — caloriearm, maar volumineus. Vlees, kaas en bewerkte producten bevatten zoveel calorieën per volume dat die receptoren nooit het sein “genoeg” geven voordat we al te veel hebben gegeten.
Dit is geen wilszwakte. Het is een biologische mismatch tussen ons evolutionaire ontwerp en het voedsel dat we eten.
5. “Drukziektes” als signatuur van een verkeerd dieet
Het argument Hiatale hernia’s, spataderen, aambeien, diverticulose — dit zijn aandoeningen die in de geneeskunde wel “drukziektes” worden genoemd. Ze ontstaan door chronisch persen op het toilet, wat het gevolg is van harde, kleine ontlasting bij een vezelarm dieet. Bij populaties die traditioneel plantaardig eten zijn deze aandoeningen vrijwel onbekend.
Interessant: dit zijn typisch menselijke kwalen. Andere dieren in hun natuurlijke leefomgeving kennen ze nauwelijks. Dat zegt iets over hoe ver ons huidige dieet afwijkt van wat ons lichaam verwacht.
6. Onze spijsvertering is traag bij dierlijke producten
Het argument Bij een plantaardig dieet duurt de darmpassage gemiddeld één tot twee dagen. Bij een conventioneel dieet met veel vlees en zuivel kan dat oplopen tot vier à vijf dagen. Een carnivoor of echte omnivoor heeft juist een kortere darmdoorlooptijd, zodat rottend vlees snel wordt afgevoerd. Onze langere darmen zijn ontworpen voor het uitpersen van plantaardige voeding — niet voor het snel verwerken van vlees.
7. Negentig procent van onze evolutie: planten
Greger wijst ook op een bredere context: vóór het gebruik van gereedschappen aten mensen vrijwel uitsluitend bladeren, bloemen, wortels en fruit — vergelijkbaar met de chimpansee, die voor meer dan 98% van planten leeft. Zo’n 90% van onze evolutionaire geschiedenis speelde zich af in deze plantaardige context. Het zijn die miljoenen jaren die onze fysiologie hebben gevormd, niet de relatief recente toevoeging van meer vlees aan ons dieet.
Wat betekent dit?
Het punt is niet dat mensen fysiologisch gezien niet in staat zijn om vlees te eten — dat kunnen we duidelijk wel. Maar “in staat zijn” is iets anders dan “biologisch ontworpen voor”. Een konijn kan ook suiker eten, maar dat maakt hem nog geen omnivoor.
Als je in een online discussie het omnivoor-argument hoort, is het dus volkomen terecht om te zeggen: de vraag is niet of mensen vlees kunnen eten, maar of onze biologie daar op is ingesteld. En het antwoord op die tweede vraag is een stuk minder zeker dan de meeste mensen denken.
Gebaseerd op het werk van Michael Greger, MD (How Not to Die, How Not to Diet en How Not to Age)
